Schriftelijke Vragen

Hieronder vindt u alle nieuws/dossiers die vallen onder 'schriftelijke vragen'.

20-10-2014 | Nogmaals zorgen van Gemeentebelangen over de decentralisatie van de zorgtaken

De voorzitter van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG), Annemarie Jorritsma, deed onlangs een oproep aan het kabinet om te stoppen met het continu wijzigen van de transitieplannen. "Het kabinet moet nu echt ophouden met transitie plannen te wijzigingen. Want het moment komt dat WIJ zeggen WIJ doen het niet meer !!" aldus Jorritsma. Deze oproep was voor Gemeentebelangen aanleiding om schriftelijke vragen te stellen aan de wethouder.

 

17-10-2014 | Schriftelijke vragen over gevolgen aansteding zorgtaken op de plaatselijke arbeidsmarkt

Gemeentebelangen maakt zich grote zorgen over de gevolgen van de aanbesteding van de zorgtaken op de plaatselijke arbeidsmarkt. Sükran stelde daarom schriftelijke vragen hierover!

 

15-09-2014 | Verzekering bijstandsgerechtigden in het kader van de participatiewet

Vanaf 2015 mag de gemeente mensen met een bijstandsuitkering verplichten om als tegenprestatie voor het ontvangen van hun uitkering werkzaamheden uit te voeren. Gemeentebelangen vraagt zich af hoe de verzekering van deze mensen is geregeld en stelde schriftelijk vragen.

28-08-2014 | Schiftelijke vragen over Raadhuisplein

De terrassen op het Raadhuisplein zijn fors uitgebreid. Het is daarmee een stuk gezelliger geworden. Gemeentebelangen vraagt zich nu wel af hoe de gemeente om gaat met de evenementen die altijd op het raadhuisplein gehouden werden en stelde daarover schriftelijke vragen.

21-07-2014 | Ongezonde lucht in de binnenstad

Uit recent onderzoek blijkt dat er normen worden overschreden m.b.t. de luchtkwaliteit op een aantal plaatsen in de binnenstad waardoor de bewoners gezondheidsrisico's lopen. Gemeentebelangen stelde schriftelijke vragen.

24-06-2014 | Verkoop woning in bezit van de gemeente

De gemeente heeft diverse woningen in bezit. Aangezien woningverhuur geen kernactiviteit is en de gemeente geld te kort komt, wordt een deel van deze woning verkocht. De opbrengst hiervan dekt echter maar nauwelijks de kosten van verkoop. Reden voor Gemeentebelangen om hierover schriftelijke vragen te stellen!

09-07-2013 | Weigering toegang raadslid , vergadering wijkraad Zuid!

17-06-2013 | Schriftelijke vragen over recente ontwikkelingen bij het LOG

01-04-2013 | Naamgeving Brinkpark

14-03-2013 | De (schijn) veiligheid van parkeergarages

07-03-2013 | Bedrijventerrijn Ecofactorij

04-07-2012 | Aanwezigheid in het Gemeentehuis vd kwartiermakers...

Schriftelijke vragen over de:

“ Aanwezigheid in het Gemeentehuis van de kwartiermakers voor de Reklamebelasting “

Wat vooraf ging: een ondernemersfonds is bedoeld om reclame- en promotie-activiteiten voor
ondernemers te financieren. Dat kan geïnd worden door de gemeente d.m.v. “reklamebelasting”

Nadat de gemeente Apeldoorn de inning door een verplichte belasting aanslag heeft ingevorderd wordt het ( na aftrek van de kosten) teruggeploegd naar een stichting die dit beheert en inzet voor activiteiten.

In het voorjaar bleek uit een ondernemers draagvlak-bijeenkomst en een politieke bijeenkomst dat het belasting voorstel zwaar omstreden was.

Dit door :

1e  twijfel aan de draagvlakmeting

2e  hoge inningskosten ( incl. mogelijke deurwaarders)

3e  als oplossing voor een bezuinigend Apeldoorn met het evenementenfonds.

Bureau Seinpost staat de gemeente Apeldoorn bij met advies over
de invoering van “Reklamebelasting”

Vraag 1: Is het ambtelijk apparaat niet zelf in staat om een voorstel naar de
             gemeenteraad te produceren?

Ondernemers-voorstanders én gemeente hebben zich aanvankelijk laten bijstaan door:
Van den Bosch en Partners, gespecialiseerd in ondernemersfondsen.

Vraag 2:  Is dit “bijstaan” met de vóórstanders niet onevenwichtig ten opzichte
               van de tegenstanders?

Vraag 3:   Waarom is later een ander bureau genaamd “Seinpost” ingeschakeld?

Vraag 4  Is het wel zuiver ten opzichte van tegenstanders om er “ zwaarder geschut ”
             op te zetten om de invoering te bewerkstelligen?

Een gemeente kan via de GBA (Gemeentelijke Basis Administratie) gegevens gebruiken
om dit belasting-voorstel te produceren. Al dan niet dan niet met een advies bureau.
Een tegenstander die deze inlichtingen vraagt krijgt een gemotiveerde afwijzing……

Vraag 5:  Kun u onderbouwen dat de gemeenteraad straks een evenwichtig voorstel krijgt
               als vóór- en tegenstanders een ongelijke uitgangspositie hebben?

Vraag 6:   Bureau Seinpost is een half jaar werkzaam in Apeldoorn op economische Zaken.
               Welk werkdeel wordt aan de haalbaarheid/voorbereiding van
               de “Reklamebelasting” besteed?

Gemeentebelangen verneemt dat de kosten worden gezien als een
soort “voorschot” Dit zou worden “ingehouden” als de gelden naar
de (toekomstige) stichting wordt gestort.

Vraag 5 kan het college dit bevestigen of ontkennen?

Bureau Seinpost blijkt zich nadrukkelijk te presenteren als “ de kwartiermakers van
een ondernemersfonds “ ( gevoed door reklamebelasting) in hun reklame uitingen                                      

Vraag 6:  Is dit geen verkeerde beeldvorming in relatie naar een
              onafhankelijke politieke afweging?

De invoering van een nieuwe belasting is een zeer zwaar middel. Uiterste zorgvuldigheid is vereist. 
Zowel voor- als tegenstanders behoren tot hun recht te komen……

Vraag 7:   Hoe wil het college dit evenwicht herstellen nu de voorstanders onevenredig
               op voorsprong worden gezet door bovenstaande “hulptroepen”

Vraag 8:  Mogen tegenstanders óók op gemeentelijke “hulp” rekenen al deze een verzoek   ( in welke vorm te bespreken) indienen?

Inl.  Ben Hendrikse, fractievoorzitter Gemeentebelangen b.hendrikse@kpnmail.nl            Tel:  06 11396096    055 5430587

Beantwoording vragen:

  1. In het proces voor realisatie van het ondernemersfonds is er een duidelijk verschil in de taken en verantwoordelijkheden van betrokken partijen. Het idee van het ondernemersfonds is afkomstig van een groep betrokken binnenstad ondernemers. Seinpost heeft de ondernemers zowel procesmatig als inhouderlijk ondersteund in de uitwerking van deze ambitie. Het ondernemersfonds is daarbij van en voor binnenstadondernemrs.

    De gemeente heeft in dit proces een faciliterende rol, het invoeren van een reclamebelasting. Hiertoe is door de ambtelijke organisatie een college- en raadsvoorstel opgesteld waarin specifiek ten behoeve van het ondernemersfonds wordt verzocht een reclamebelasting in te voeren. Bij de formulering van dit voorstel heeft Seinpost geen enkele betrokkenheid gehad.
  2. Apeldoorn is gebaat bij een levendige binnenstad en een goed georganiseerde middenstand die evenementen en activiteiten organiseert dragen hier aan bij. Het college is blij met de initatieven van ondernemers om te komen tot een ondernemersfonds. Ook het stimuleren van het ondernemerschap ( ook een doel van het Ondernemersfonds) acht het college van belang. Het college heeft procesbegeleiding toegezegd aan de initiatiefgroep om de ambitie voor een ondernemersfonds uit te werken, maar ziet ook dat de meningen over dit initatief uiteenlopen. Wel wil het college dit initiatief de mogelijkheid geven zich te bewijzen. Met de initiatiefnemers is besproken het ondernemersfonds eerst voor een periode van 2 of 3 jaar op te zetten. Na evaluatie kan op dat moment worden besloten of het ondernemersfonds wordt voortgezet.
  3. Het bureau Seinpost ondersteunt de initiatiefnemers bij de oprichting van het Ondernemersfonds "an sich". Bureau Van den Bosch en partners is door de gemeente ingehuurd voor de juridische ondersteuning. Dit bureau is gespecialiseerd in belastingrecht en heeft ruime ervaring op het gebied van invoering reclamebelasting.
  4. Het college ziet de meerwaarde van ondernemersinitiatieven die bijdragen aan het aantrekkelijker maken van de binnenstad. Aan dit initiatief, van en voor ondernemers is steun toegezegd. De gemeente laat zich juist adviseren om daarmee een evenwichtige besluitvorming te realiseren.
  5. De gemeente heeft in dit proces éénmaal gebruik gemaakt van het GBA, nadat hierover een collegebesluit is genomen. Dit ten behoeve van de bijeenkomst waarvoor alle ondernemers in de binnenstad zijn uitgenodigd. Belangrijke overweging om uiteindelijk tot inzet over te gaan was alle binnenstadondernemers de gelegenheid te geven inhoudelijk te reageren op het initiatief van het ondernemersfonds.

    Voor de goede orde, de gegevens zijn niet aan de initiatiefgroep van het ondernemrsfonds verstrekt. De uitnodiging voor deze brede bijeenkomst is vanuit het stadhuis verzonden. Het college is derhalve van mening dat in de informatieverstrekking geen onderscheid is gemaakt tussen voor- en tegenstanders van het ondernemersfonds.
  6. Geheel los van de werkzaamheden voor het Ondernemersfonds levert Seinpost de projectmanager voor de ontwikkelingen die plaats vinden in de noordelijke binnenstad. De bureaukeuze is via een uitvoerige offerte procedure gegaan.

    5. De gemeente neemt de proceskosten ten behoeve van de inzet van Seinpost voor haar rekening. Aanvullend hieraan zijn operationele kosten ten laste van het ondernemersfonds komen.
  7. Het college is van mening dat de initiatiefgroep een zorgvuldig traject heeft doorlopen om tot een evenwichtig voorstel voor het ondernemersfonds te komen. Na behandeling van dit voorstel in de raad zijn enkele inhoudelijke vragen naar voren gekomen die nadere uitwerking vragen. Hierover heeft het college de verwachting dat de initiatiefgroep met een aangepast voorstel moert komen die recht doet aan enkele kritische opmerkingen bij het oorspronkelijke plan, en daarmee voor een belangrijk deel tegemoet komt aan de voornaamste bezwaren bij het oorspronkelijke plan. Zij treden hiervoor ook in overleg met tegenstanders.
  8. De gemeente ondersteunt het initiatief voor de oprichting van het ondernemersfonds. Het college heeft er vertrouwen in dat het aangepaste voorstel ingaat op de elementen waarover de gemeenteraad nadere uitwerking heeft gevraagd en daarmee een handreiking biedt aan tegenstanders van het ondernemersfonds.

    

23-02-2012 | Nieuwe spoorlijn Apeldoorn - Dieren

Schriftelijke vragen aan het college van Ben W van Apeldoorn.Volgens art. 34 reglement van orde van de Raad 2006

Het realiteitsgehalte van een nieuwe reguliere personen- en goederen spoorlijn “Apeldoorn- Dieren”

Zowel enkele politieke partijen, de provincie Gelderland, bureau Goudappel-Coffeng,
het (toenmalige) college van BenW van Apeldoorn zijn ingenomen met (een studie naar) dit plan.

Gemeentebelangen is vooralsnog van mening dat het realiteitsgehalte het niveau van de achterkant van een bierviltje niet overstijgt. Echter……we laten ons graag overtuigen van het tegendeel !

Mede ook doordat de Veluwse Stoomtrein Maatschappij deels ( sinds 1975) eigenaar is van het tracé.

Hoewel de studie nog moet beginnen zag Gemeentebelangen graag in eerste instantie enkele globale vragen beantwoord……..

Vraag 1   Hoe komt het dat deze VSM én de Gemeenteraad het idee uit de krant moeten vernemen?
Hoe is de  communicatie georganiseerd?

Bij informatie:  er schijnt een rapportage te zijn van bureau Goudappel-Coffeng.
Daar is politieke partij Gemeentebelangen Apeldoorn niets van bekend.

Vraag 2   Waarom kan/mag daar nog geen kennis van worden genomen?

Op “ Wikipedia “ leest de fractie dat er onderzoek is naar een “ tramverbinding ” Apeldoorn-Dieren.

Vraag 3    Is dit inderdaad onderdeel van het onderzoek?

Een reguliere én frequente personen-  en goederenlijn heeft een enorme impact op de omgeving.
Dit door geluid, licht, trillingen, veiligheid en mogelijke afsluitingen.
Dit i.v.m. de niet te wijzigen afstanden van spoor tot gebouwen, wegen etc.

Vraag 4   Wat kan de ( financiële) invloed zijn op de reeds getekende / ingeplande ontwikkeling van de Kanaalzone?

Vraag 5   Beseft het college dat deze activering van het oude tracé een deling
en / of een hinderlijke doorsnijding van het stadsdeel Zuid kan betekenen?

Vraag 6   Is een onderdeel van het onderzoek ook: een oplossing te zoeken voor
het functioneren van de Veluwse Stoomtrein Maatschappij ( VSM ) n.l. de oorspronkelijke gebruiker?

Vraag 7   Wat zijn de gevolgen voor Oosterhuizen, Beekbergen en Loenen?

In afwachting van uw beantwoording, Ben Hendrikse, raadslid Gemeentebelangen Apeldoorn 055 5430587   06 11396096   b.hendrikse@kpnmail.nl

 

Beantwoording vragen:

1.

De provincie Gelderland heeft in haar coalitieakkoord de volgende tekst opgenomen.

Investeringen in het openbaar vervoer zijn noodzakelijk, zodat de kwaliteit gehandhaafd
blijft en de groei van het aantal reizigers wordt bevorderd. Ondersteunen van lokale
experimenten is zinvol. De directe spoorverbinding tussen Arnhem en Apeldoorn
en de verbetering van de spoorlijn Arnhem-Winterswijk moeten worden gerealiseerd

Het college van GS heeft hierop opdracht gegeven een pre-verkenning te doen naar
de mogelijke varianten voor de directe spoorverbinding Apeldoorn - Arnhem. Dit in
samenwerking met betrokken gemeenten en de marktpartijen. Het ambtelijke voorstel
is in GS behandeld en voorzien van een persbericht aan de Statencommissie ter
behandeling voorgelegd. De primaire communicatie verloopt dus via de provincie.
De informatiestroom is op gang gekomen in de periode dat ons college bestond uit
onze burgemeester. De dienst heeft, gezien de mogelijk verstrekkende gevolgen,
gewacht met het inbrengen van dit onderzoek in B&W totdat het college weer voltallig was.

In de pre-verkenning is een gesprek gevoerd met de VSM (12 januari 2012).
Zij waren daarmee op de hoogte van het onderzoek.

 

2.

De rapportage is als bijlage bijgevoegd en is openbaar.

 

3.

Een van de drie uit te werken varianten is de route over Dieren – Apeldoorn Zuid.
Zie voor alle varianten de bijlage en de bijgevoegde notitie. Er is nog geen uitspraak
gedaan over het soort voertuig, de term ‘tramverbinding’ is feitelijk voor deze verbinding
niet juist. In de volgende fase zullen drie varianten verder worden uitgewerkt.
In het geval van de Koningslijn zal dit een uitgebreid onderzoek zijn omdat deze op vele
plekken bebouwd gebied doorkruist, ten minste 42 overwegen kent, VSM als eigenaar en
gebruiker van een deel van de route heeft, natuurgebieden doorkruist en er meerdere
haltes zullen moeten worden aangelegd. Uiteindelijk zal de maatschappelijke
kosten/batenanalyse moeten gaan bepalen of en op welke manier de rechtstreekse
spoorverbinding Apeldoorn – Arnhem vorm moet krijgen.
Deze bevoegdheid ligt bij de provincie.

 

4.

De gevolgen voor de Kanaalzone zullen worden meegenomen in dit onderzoek.
Op voorhand is niet aan te geven welke financiële gevolgen dit heeft. Een variant
over de VSM-lijn heeft gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit in dit gebied. Hoe groot
deze zijn, dient nader te worden verkend. Deze treinverbinding lijkt zich op voorhand in
ruimtelijk opzicht niet te verhouden tot de omschreven transformatie in dit deel van de
Kanaalzone en dat het in die zin een grote invloed kàn hebben op de in de
Structuurschets vastgelegde doelstellingen voor de Kanaalzone. Het bestemmingsplan
voor o.a. de bouw van woningen in het project Pilot Kanaalzone Zuid is onherroepelijk
en de werkzaamheden (sloop, sanering) zijn in voorbereiding. In een nog op te richten
interne projectgroep zullen de verschillende varianten in beeld worden gebracht. Hierbij
zullen met name de ruimtelijke en financiële gevolgen voor de ontwikkeling van de stad
en de dorpen in beeld worden gebracht. Dit zal in een advies aan de provincie
worden verwerkt.

 

5.

Ja, de doorsnijding is er (nu ook). Of deze door de intensivering van het gebruik
hinderlijk wordt zal onderdeel zijn van het onderzoek.

 

6.

De VSM zal als volwaardig partner in het onderzoek mee gaan draaien, zij is immers
deels eigenaar en hoofdgebruiker van een groot deel van het traject.

 

7.

Ook de gevolgen voor Beekbergen, Oosterhuizen, Loenen, Eerbeek, Dieren en Velp
worden meegenomen bij het onderzoek naar de variant Koningslijn.

07-02-2012 | Valse start intergemeentelijke samenwerking

Valse start intergemeentelijke samenwerking Landbouwontwikkelingsgebied (L.O.G.) ?

Datum: 7 februari 2012.

Inleiding

Via de regionale pers (weekblad Veluwerand) namen wij kennis van de behandeling van het  
Bestemmingsplan Buitengebied “Gatherweg 28, Vaassen” in de Gemeenteraad van Epe.

De bedoeling van dit plan is dat een groot veebedrijf aan de Gatherweg in Vaasen haar pluimveestallen
kan uitbreiden op grondgebied van de gemeente Apeldoorn. Hiervoor worden bouwrechten op het
bestaande bouwblok in de gemeente Epe ingeleverd.

Het verbaast Gemeentebelangen via de pers te vernemen, dat er in de Raad van Epe gesproken
wordt over vergunningverlening voor bouwplannen in de Gemeente Appeldoorn. En ook overheveling van bouwrechten van de Gemeente Epe naar de Gemeente Apeldoorn.  De Gemeenteraad van Apeldoorn is
hierover niet geïnformeerd.

Informatie bij de ambtelijke dienst van de gemeente Apeldoorn leert ons dat “Projectbesluit De Gaete
naast 9 Beemte Broekland” op de termijnagenda van de PMA staat. Dit blijkt over een en dezelfde casus
te gaan als wat de gemeente Epe “Bestemmingsplan Buitengebied Gatherweg 28, Vaassen”  noemt.

Het bedrijf ligt in het LOG (landbouwontwikkelingsgebied).

Voor het LOG is in onze Gemeenteraad een “intergemeentelijk” voorontwerp-bestemmingsplan besproken.

Bij de bespreking van dit bestemmingsplan heeft Gemeentebelangen Apeldoorn, vanuit het oogpunt van volksgezond- en diergezondheid, gepleit voor een afstand van 250 meter tot omliggende functies.
In weerwil hiermee is besloten tot een afstand van 100 meter.

Nu het eerste plan zich aandient, wordt voorgesteld om de 100-meter-regel als “ongeschreven” te
beschouwen. Het hek blijkt nu al van de dam.

Deze merkwaardige casus roept bij Gemeentebelangen Apeldoorn de volgende vragen op:


toelichting op vraag 1:

De Gemeenten Apeldoorn en Epe beoordelen ieder voor zich een bouwplan, dat zich uitstrekt over hun
beider grondgebied.

In de gemeente Epe wordt hiervoor een procedure “partiële herziening van het bestemmingsplan”
doorlopen, en in de gemeente Apeldoorn voor hetzelfde plan een “projectbesluit”.

Vraag 1:

  1. Waarom hanteren de twee gemeenten verschillende procedures voor een en hetzelfde plan? 
    (Ook in het licht van een “gemeenschappelijk bestemmingsplan” voor het LOG!)
  2. Is dat legitiem?
  3. Wat zijn de consequenties hiervan?

 

toelichting op vraag 2: 

Nu beide gemeenten kiezen voor andere termijnen/tijden van bekendmaking, ter inzage legging, politieke besluitvorming voor een en dezelfde aanvrage, zien we dat burgers verstrikt in raken verschillende
procedures. Gemeentebelangen vindt dat ongewenst.

Belanghebbenden worden ook op het verkeerde been gezet, doordat de beide gemeenten verschillende plaatsbepalingen aangeven in de verplichte digitale bestemmingsplan-informatie.

Vraag 2:

  1. Waarom kiest het college van Apeldoorn voor andere tijdstrajecten voor de procedures,
    en voor een totaal andere digitale informatievoorziening dan de gemeente Epe?  
  2. Is het college zich er van bewust dat belanghebbenden hierdoor belemmerd worden om het
    plan juist te beoordelen?

 

toelichting op vraag 3:

In oktober 2011 publiceerde de GGD het informatieblad ”Intensieve veehouderij en gezondheid”.
Het is een leidraad bedoeld voor beleidsambtenaren, bestuurders en geïnteresseerde burgers.
Het informatieblad geeft tevens de onderbouwing van de aanbevelingen.

Een van de aanbevelingen is:

“Op basis van de op dit moment bekende publicaties en onderzoeken adviseert GGD Nederland, dat binnen
een straal van 250 meter het voorzorgsprincipe leidend zou moeten zijn. Dit betekent bij nieuwbouw en planontwikkeling geen intensieve veehouderij in een straal van 250 meter van gevoelige bestemmingen bouwen.”

In weerwil van het betoog met gelijke strekking van Gemeentebelangen Apeldoorn,  is in
meerderheid gesloten om voor het “LOG Beemte Broekland” een afstandscriterium van
100 meter vast te stellen.

In het onderhavige plan wordt een afstand van 60 meter aangehouden.

In de beslisnota “Bestemmingsplan Buitengebied Gatherweg 28, Vaassen” die donderdag 2 februari 2012
aan de Raad van Epe voorgelegd is,  staat hierover: “Na afweging van belangen
kiest de gemeente Apeldoorn ervoor om de ruimtelijke voordelen zwaarder te laten wegen
dan het voldoen aan de 100-meter-regel”.

Vraag 3:

  1. Acht het college het verdedigbaar dat, vanuit oogpunt van volksgezondheid en diergezondheid, afgeweken wordt van het 100-meter-criterium als afstandsnorm?
  2. Is het citaat uit de beslisnota van de Raad van Epe juist: “Na afweging van belangen kiest de gemeente Apeldoorn ervoor om de ruimtelijke voordelen zwaarder te laten wegen dan het voldoen aan de 100-meter-regel.”?
  3. Zo ja, wat is het bevoegde orgaan binnen de gemeente Apeldoorn, die deze keuze mag maken?

 

Theo van Kerkhof,

Raadslid Gemeentebelangen

Telefoon: 055-3556474

E-mail: t.vankerkhof@apeldoorn.nl

Beantwoording vragen:

Inleiding

Aan de Gatherweg 28 in Vaasen (gemeente Epe) ligt, tegen de gemeentegrens, een pluimveehouderij. In het kader van de opstelling van het bestemmingsplan voor het LOG heeft de eigenaar, F.Keurhorst, verzocht om een andere vorm bouwvlak om zo enkele uitbreidingen mogelijk te maken. De uitbreidingen 'steken'voor een deel het Apeldoorns grondgebied in. In het ontwerpbestemmingsplan voor het LOG is voorzien in deze uitbreidingen. Dat houdt dus in dat onze inschatting is dat de uitbreidingen vergund kunnen worden.

De eigenaar heeft de financiering van de nieuwe stallen veel eerder rond gekregen dan verwacht. Het wil dan ook spoedig tot realisatie over gaan. Daarom heeft de eigenaar op 29 september 2010, voor de inwerkingtreding van de Wet algemen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010, aanvragen om bouwvergunning ingediend voor het verlengen van een bestaande stal en het realiseren van een nieuwe stal. Het gaat om twee aanvragen bij de gemeente Apeldoorn en twee aanvragen bij de gemeente Epe. Voor elk deel zijn dus, tot aan de gemeentegrens, afzonderlijke aanvragen ingediend.

In Epe passen de nieuwe stallen binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan, maar de bouwvergunningen kunnen nog niet verleend worden omdat het Apeldoornse deel nog niet vergund kan worden. Daar passen de aanvragen namelijk niet in het geldende bestemmingsplan, bij afwezigheid van een argrarisch bouwvlak op het betreffende, nu nog onbebouwde perceel.

Gelet op het overgangsrecht van de Wabo dienen de aanvragen voor het Apeldoornse deel te worden behandeld aan de hand van het recht zoals dat gold op het moment van aanvraag. Dat houdt in dat de bouwaanvragen tevens een verzoek inhouden tot het nemen van een projectbesluit, waarvoor de Wet ruimtelijke ordening destijds de mogelijkheid gaf en wat wij destijds zagen als de snelste, planologische procedure voor de geplande nieuwbouw. Omdat beide aanvragen los van elkaar gerealiseerd kunnen worden, is sprake van twee verzoeken tot het nemen van een projectbesluit, die elk hun eigen procedure moeten doorlopen en dus om afzonderlijke besluiten vragen.

Beide uitbreidingen voldoen aan de belangrijkste, Apeldoornse conditie om voor een projectbesluit in aanmerking te komen: opname in een ontwerpbestemmingsplan. Verder passen de uitbreidingen binnen het (concept-) beeldkwaliteitplan voor het LOG. Daarnaast is voor beide uitbreidingen een milieuvergunning verleend.

Door de voorgenomen uitbreiding op Apeldoorns grondgebied zou het ( intergemeentelijk samengestelde) totaal van het bouwvlak meer dan 1,5 hectare gaan bedragen. Dat is (in eerste instantie) strijdig met het beleid uit het reconstructieplan Veluwe. Oorzaak daarvan is dat ten oosten van het feitelijk aanwezige bedrijf een groot deel van het bouwvlak ligt dat nu niet benut wordt.

Voor de start van de projectbesluitprocedures is echter de voorwaarde gesteld dat het bouwvlak in totaal niet groter mag worden dan 1,5 hectare. Daarop heeft de gemeente Epe, uiteraard in onderling, ambtelijk overleg, separaat een bestemmingsplan in procedure gebracht: ontwerpbestemmingsplan Buitengebied, Gatherweg 28 Vaasen. Daarmee wordt het bouwvlak van het bedrijf in Epe verkleind.

Op die manier kan de gemeenteraad van Epe, na het nemen van de projectbesluiten, dus besluiten om het Epese deel van het bouwvlak te verkleinen. Zo wordt een overschrijding van het genoemde maximum door de uitbreidingen voorkomen. Op die wijze is er geen strijdigheid met het reconstructieplan Veluwe. Ook is op die wijze in wezen geen uitbreiding van het bouwvlak aan de orde, maar een intergemeentelijke verschuiving van bouwmogelijkheden.

Nadat ook het kostenverhaal rond het LOG in voldoende mate was afgedekt, heeft het college de ontwerpen van de projectbesluiten met ingang van 15 september 2011 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Toen zijn drie zienswijzen ingediend. Inmiddels heeft het college het voorstel aan de gemeenteraad gedaan om tot het nemen van projectbesluiten over te gaan.

1.

a. Oorzaak van het verschil in procedures is dat de geplabde nieuwbouw in de gemeente Epe wel past binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan, terwijl dat voor Apeldoorn niet geldt. Voor de afhandeling van de aanvragen in Epe is derhalve geen afzonderlijke, planologische procedure nodig. De aanvragen in Apeldoorn dienen aangemerkt te worden als het verzoek tot het nemen van een projectbesluit. Overeenkomstig gebeurd. Voor de projectbesluiten is als voorwaarde gesteld dat het bouwvlak niet groter mag worden dan 1,5 hectare. Dat was alleen mogelijk door een bestemmingsplanherziening in procedure te brengen waarmee een onbenut deel van het geldende, argrarische bouwvlak wordt opgeheven. Overeenkomstig is gebeurd.

b. Ja, zoals uit het bovenstaande blijkt zijn de aanvragen behandeld zoals wettelijk is voorgeschreven en is het relevante beleid daarbij in ogenschouw genomen.

c. Consequentie van de proceduresis dat de bouwvergunningen verleend kunnen worden, zonder dat het argrarische bouwvlak groter wordt dan 1,5 hectare en zonder dat strijdigheid optreedt met het ontwerpbestemmingsplan voor het LOG.

2.

a./b.  In essentie komt het er op neer dat het bestemmingsplan in Epe een voorwaarde is voor het nemen van de projectbesluiten. Dat een concreet voornemen tot vaststelling van dat bestemmingsplan bestaat, blijkt uit de terinzagelegging van het ontwerp van dat plan. Dat gegeven is ook expliciet genoemd in de ruimtelijke onderbouwing bij de ontwerp-projectbesluiten.

Naar onze mening is dat gegeven voldoende om de ontwerp-projectbesluiten goed te kunnen beoordelen door een ieder. Daarom is het volgens ons niet bezwaarlijk dat de ontwerp-projectbesluiten later zijn gepubliceerd dan het ontwerpbestemmingsplan. Bij een omgekeerde volgorde zou dat niet gelden. De ontwerp-projectbesluiten zijn de voornemens die in een ruimtelijke ontwikkeling voorzien, in tegenstelling tot het bestemmingsplan. Zoals hierboven reeds uiteengezet heeft de ligging in twee gemeenten tot verschillende procedures geleid. Desondanks is het voor een ieder goed mogelijk geweest op de geuite voornemens te reageren.

De ligging in twee gemeenten maakt ooj dat beide instrumenten, projectbesluiten en bestemmingsplan, consistent  verschillende namen hebben gekregen. Kadastraal gaat het immers om twee percelen met verschillende namen : de Gatherweg 28 in Vaasen en De Gaete naast 9 in Beemte Broekland. In de ruimtelijke onderbouwingen is het bestemmingsplan in Epe bij naam genoemd.

Desalniettemin begrijpen ook wij dat hier sprake is van bijzondere samenhang van procedures. Daarom hebben wij, samen met het college van Epe en in het kader van de terinzagelegging van de ontwerp-projectbesluiten, de omwonenden daarover per brief op de hoogte gebracht en de procedurele samenhang uitgebreid toegelicht.

Ten aanzien van de raadsbehandeling van de projectbesluiten in Apeldoorn en het bestemmingsplan in Epe, was ons voornemen om dat gelijktijdig plaats te laten vinden. Daarbij zou de gemeenteraad van Epe dan het besluit van de gemeenteraad van Apeldoorn 'volgen'. Deze gelijktijdige behandeling is echter niet gehaald. Op het moment dat de projectbesluiten inhoudelijk klaar waren voor besluitvorming, bereikte de ambtelijke dienst een zienswijze tegen de projectbesluiten, die tijdig was ingediend maar bij 'het verkeerde loket'terecht was gekomen. Deze zienswijze moest alsnog worden beantwoord. De gang naar de raad van Epe was toen echter al ingezet. Dit verklaart waarom het te nemen besluit de raad van Epe eerder bereikt dan de raad van Apeldoorn. Bezwaarlijk vinden wij dit echter niet. De raad van Epe zal niet eerder beslissen dan de raad van Apeldoorn.

3

a.  Bij het beoordelen van de verzoeken tot het nemen van de projectbesluiten is de genoemde voorwaarde in ogenschouw genomen. Gezien de specifieke situatie van het bedrijf hebben wij geconcludeerd dat de nieuwe situatie beter is dan de oude situatie. Weliswaar voldoet de nieuwe situatie ook niet aan de 100-meter-regel, maar wij zien goede redenen om toch mee te werken aan de projectbesluiten. Dat is mogelijk omdat de 100-meter-regel bovenwettelijk is. Deze regel is in het bestemmingsplan verwerkt om, naast hetgeen wettelijk al geregeld is, een extra waarborg te hebben voor het aspect volksgezondheid. Louter wettelijk gezien kan vaak volstaan worden met een afstand van 50 meter. Strikt genomen zou onderhavig initiatief overigens niet tot een toets aan de 100-meter-regel komen. De bouwvoornemens zijn namelijk bij recht verwerkt in het bestemmingsplan; ze liggen binnen het bouwvlak. Dat terwijl de 100-meter-regel alleen geldt voor de flexibiliteitsbepalingen in het plan voor het aanpassen en introduceren van argrarische bouwvlakken (uitbreiding en nieuwvesting).

De specifieke situatie van het bedrijf vertaalt zich in een geldend bouwvlak dat fysiek groot genoeg is voor de geplande nieuwbouw en zich grotendeels reeds bevind binnen de 100 meter tot omliggende functies. In de bestaande situatie wordt al niet aan de 100-meter-regel voldaan en het geldende bestemmingsplan staat er niet aan in de weg om nieuwe bebouwing binnen 100 meter tot omliggende functies op te richten. In de nieuwe situatie worden die afstanden niet verder verkleind. Het benutten van het geldende bouwvlak zou inhouden dat de nieuwe stallen deels voor de bedrijfswoning gesitueerd zouden moeten worden. Dat is ruimtelijke zeer ongewenst. Daarom is bezien of het huidige stramien van het erf kan worden voortgezet. Dat is fysiek mogelijk. Gelijktijdig ontstaat zo het voordeel dat de emissiepunten van de stallen verder van de omliggende woningen (van derden) af geplaatst kunnen worden. Op die manier kan beter een goed woon- en leefklimaat in die woningen worden gegarandeerd. Een en ander houdt wel in dat de stallen deels buiten het (geldende) bouwvlak komen te staan en nog steeds niet aan de regel van 100 meter voldaan kan worden. Evenwel wordt wel gewoon voldaan aan wettelijke vereisten als het gaat om geurhinder en aan te houden afstanden tot omliggende functies gelet op de VNG - brochure Bedrijven en milieuzonering. Zoals ook in de planMer bij het bestemmingsplan voor het LOG uit een is gezet, zijn de gevolgen van intensieve veehouderij op de volksgezondheid, niet louter afhankelijk van de afstand tot gevoelige functies, maar vooral van zaken als het aantal dieren, het huisvestingsysteem in de stallen en de toegepaste milieu-technieken (luchtwassers e.d.). In dit geval is sprake van een specialistisch bedrijf. Het bedrijf houdt ouderdieren van vleeskuikens voor de productie van broedeieren. Dit stelt hoge eisen aan de bedrijfsvoering als het gaat om hygiëne en de verblijfsomstandigheden in de stallen. Per vierkante meter kunnen relatief weinig dieren gehouden worden. Uiteindelijk zullen binnen het bouwvlak van 1,5 hectare 39 duizend kippen aanwezig zijn. Dat zijn relatief weinig dieren in die verhouding. Als het 'normale' leghennen geweest waren, had het bedrijf zich aan 'de onderkant' van een volwaardige bedrijfsomvang bevonden. Daarnaast is reeds milieuvergunning verleend voor de stallen. De stallen worden voorzien van luchtwassers en er wordt voldaan aan de normen voor geurhinder. Onevenredige gevolgen voor de volksgezondheid zijn, naar onze mening, dan ook niet te verwachten.
Hoewel ruimtelijk niet direct relevant, merken wij aanvullend op dat het hier gaat om een familiebedrijf. De eigenaar is tevens de agrariër die ter plekke woont en werkt en die zijn bedrijf klaar wil maken voor de toekomst.
Na afweging van belangen vinden wij de beschreven voordelen zwaarder wegen dan het voldoen aan de 100-meter-regel, zeker gelet op het gegeven dat het hier om het verplaatsen van bouwmogelijkheden gaat. In wezen wordt een bestaand stuk bouwvlak (dat ook niet aan de 100-meter-regel voldoet) intergemeentelijk verschoven naar een veel betere plek. Het is een aanmerkelijke 'efficiencyverbetering' van het bestaande bouwvlak, die recht doet aan de belangen van eigenaar en omwonenden en aan de doelstellingen voor het LOG.

b. Dat citaat moet in het perspectief worden gezien, dat de raad van Epe het bestemmingsplan pas zal vaststellen, nadat de gemeenteraad van Apeldoorn een positief besluit heeft genomen over de projectbesluiten.

c.  Tegen de ontwerp-projectbesluiten zijn zienswijzen ingediend. Het is derhalve aan de raad om een besluit te nemen over projectbesluiten.

26-01-2012 | Vaststelling Bestemmingsplan Methusalemlaan

Technische vragen 'Vaststelling Bestemmingsplan Methusalemlaan en beeldkwaliteitsplan'
conform afspraak PMA 26 januari 2012.

  1. Ter vergadering PMA 26 januari 2012 zijn ons twee tekeningen uitgereikt; een “origineel KAMKA” en een “Voorstel Schouten van der Heijden”. 
    Wat zijn de technische voor- en nadelen van de twee alternatieven?
  2. Tijdens de PMA van 26 januari werd gesteld dat het “niet fraai” is dat een ontsluitingsweg uit komt op een parkeervak.  
    Is dat puur esthetisch bedoeld?
    Zo ja, is het een kwestie van creatieve architectuur (ontwerp groene ruimte)?
  3. Is de erfgrensproblematiek die speelt een principiële kwestie, of heeft zij invloed op het
    bestemmingsplan zelf?
  4. In “De Stentor” van vanmorgen wordt gewag gemaakt van een brief van de provincie Gelderland, dat zij niet zal schrappen in het aantal nieuwbouwwoningen in de wijk Groot-Zonnehoeve.
    In dezelfde brief waarschuwt de provincie, naar aanleiding van de crisis op de woningmarkt, voor ingrepen bij andere bestemmingsplannen.
    Kan ingrijpen van de provincie bij dit plan aan de orde zijn?
    Of, maakt het college zelf een afweging tegen deze achtergrond?
  5. Wat zijn de risico’s op vertraging wanneer omwonenden, belanghebbenden, de hakken in het zand zetten en beroep bij de Raad van State aantekenen?  
  6. Zijn de voorgestelde aanpassingen naar aard en omvang zo substantieel, dat een nieuwe bestemmingsplanprocedure doorlopen zou moeten worden?
    Ter vergadering PMA 26 januari 2012 werd een lichter variant voorgesteld, nl. een fiets-/voetpad ontsluiting aan de Marten Orgeslaan kant. Is dit een technisch haalbare optie?
  7. De voorwaarden voor de versnellingsgelden zijn start sanering voor 1 juli 2012 en start
    bouwrijp maken voor 1 januari 2013. Is het in verband hiermee mogelijk om vooruitlopend op het bestemmingsplan met de sanering te beginnen?

  8. Opvallend is het hoge percentage dure en zeer dure woningen in het plan. Voor starters op de woningmarkt lijkt in dit plan weinig plaats. Met het oog op deze constantering vraagt Gemeentebelangen om een haalbaarheidstoets in de vorm van een financieel exploitatieplan. 

Beantwoording vragen:

  1. en 2.
    Voor de inhoudelijke bespreking door uw raad van het bestemmingsplan in de PMA van 9 februari 2012 zal middels een korte presentatie een technische toelichting / beschouwing worden gegeven op het destijds opgestelde programma van eisen, de ruimtelijke randvoorwaarden, de verkeerssituatie, het stedenbouwkundig plan van de ontwikkelaar en het voorstel vanuit de twee bewoners. Zie ook de beantwoording van x , waarbij de nieuwe ontsluitingsvariant is beschouwd. Niet uit het oog mag worden verloren dat het hier een particuliere ontwikkeling betreft. De belangen van de ontwikkleaar spelen eveneens een rol.

   3.   Het betreft geen principiële kwestie. De erfscheidingsproblematiek heeft geen
         invloed op het bestemmingsplan. De discutabele stroken zijn als erf bestemd
         en dat blijft ook zo.

   4.   De provincie kijkt mee met de bestemmingsplanherzieningen in Apeldoorn. Zij
         heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit inbreidingsplan. Daarnaast stelt zij 
         versnellingsgelden voor dit plan beschikbaar.
         Wij vinden dit een goed plan, waarbij ook een lang gekoesterde wens rond
         sanering van de vervuilde bodem en grondwater aan de orde ( ook onder
         partculiere percelen ) is in combinatie met het verdwijnen van een LPG-
         tankstation in een woonomgeving.

   5.   Het instellen van beroep hoeft op zich - anders dan bij een verkavelings-
         herziening - niet tot vertraging te leiden, tenzij het bestemmingsplan via een
         voorlopige voorziening geschorst wordt. De bepalingen uit de Crisis- en 
         herstelwet zijn van toepassing, omdat het hier gaat om een woningbouwlocatie
         met meer dan 20 woningen. Dit betekent o.a. een versnelde behandeling
         van de beroepen ( binnen 6 mnd ).  

   6.   Op de schaal van dit bestemmingsplan zijn het aanpassen van de verkavelings-
         en verkeersstructuur dermate substantieel dat wij van mening zijn dat het 
         ontwerp- bestemmingsplan opnieuw ter inzage moet worden gelegd. De
         achtertuinen van de bewoners van Markendoel 18 t/m 24 komen te 
         grenzen aan parkeerplaatsen; de ontsluitingsweg komt uit tegenover 
         Derk Kamphuisweg 34. Niet uit te sluiten is, dat derde belanghebbenden 
         zich door de planaanpassingen benadeeld voelen. Zie ook antwoord 2.

   7.   De ontwikkelaar kan vooruitlopend op het bestemmingsplan met de
         sanering beginnen. De ontwikkelaar heeft aangegeven dat hij niet gaat
         saneren alvorens het bestemmingsplan is vastgesteld. Daarmee staat
         de sanering en de woningbouw op de tocht. 

   8.   Het plan past binnen het overall woningbouwprogramma. Met de afdeling
         Wonen is gekeken naar het meest wenselijke programma voor deze
         locatie. Daarbij wordt m.n. gekeken hoe de opbouw van de woning-
         categorieën in de buurt is. Om die reden is er gepleit voor o.a.
         seniorenwoningen in de koopsfeer en niet specifiek in de huursector.
         Ook is er een afweging gemaakt t.a.v. wel of geen sociale woningen.

         Gelet op het feit dat hier sprake is van hoge kosten i.v.m. een grote
         bodemverontreiniging en saneren van een benzinepomp en garage
         hebben we ervoor gekozen geen sociale huurwoningen in dit deel van
         Ugchelen voor te schrijven. Met sociale woningbouw ( bijv. 30% )
         zou het plan niet haalbaar zijn. Daarnaast vinden wij het saneren van
         die plek zeer belangrijk.           

19-01-2012 | Vragen aan het college van B en W, raadsvergadering

Betreft: wenselijkheid van intrekking voorstel invoering “ Reclamebelasting “

De initiatiefnemers hebben een draaiboek opgesteld met o.a. invoering 01-01-2012.
Inmiddels moet de gehele procedure nog opgestart worden

Vraag 1   wat is het college aan belemmeringen tegengekomen?

Gemeentebelangen is als belangstellende aanwezig geweest bij de “draagkrachtpeiling”
en zag dat iedereen kon stemmen. Geen vorm van registratie als winkeleigenaar of
wettig vertegenwoordiger. Bij verzet zal ( volgens wettelijke uitspraken) de
draagvlak-meting als meest doorslaggevend gelden.

Vraag 2   Voorziet het college niet een flink proces van capaciteit, dat uiteindelijk
juridisch zal stranden?

Bij aangetekende brief van 24 oktober 2011 verzet “Detailhandel Nederland”
( 110.000 winkeliers-leden) nota bene de vertegenwoordiger van de detailhandel
zich - gemotiveerd- met hand en tand tegen de invoering.

Vraag 3   Wat is de mening van het college over deze tegenstrijdigheid?

Vraag 4   Waarom wordt bovenstaande brief niet beantwoord?

De heffing is uniform: iedere (bij invoering verplichte deelnemer) betaald € 750,=
Zowel b.v. V & D als de schoenmaker.

Vraag 5   Begrijpt het college dat dit bij (een deel van) de ondernemers veel
onrechtvaardigheid gevoel oproept?

In het draaiboek is opgenomen dat de gemeente Apeldoorn de inning verzorgt.
Het valt Gemeentebelangen op dat daar een érg groot bedrag voor is ingepland
n.l. € 50.000,= Na informele en ambtelijke informatie komt daar (schoorvoetend) uit
dat daar ook het verzet uit moet worden betaald. Dit betreft dus niet alleen
incasso maar ook de aanmaningen, deurwaarders én procedures.

Vraag 6   Hoe ziet het college deze weinig hoopvolle start i.v.m. de uitstraling voor Apeldoorn?

Vraag 7   Als er € 50.000,= nodig is voor de (moeizame) inning, dan zou de bijdrage van € 750,=
van al 67 winkeliers wegvallen alléén al voor de inningkosten.

Vraag 8   Vindt het college dit geen onevenwichtige balans?

Vraag 9  Is bovenstaande voldoende reden voor het college om het voorstel in te trekken?

Contact: Ben Hendrikse, raadslid Gemeentebelangen Apeldoorn b.hendrikse@kpnmail.nl   055 5430587 06 11396096

 

Beantwoording vragen:

1.   Voor het tijdstip van invoering van de reclamebelasting is na de brede 
ondernemersbijeenkomst op 10 oktober 2011 een zeer ambitieus tijdpad uitgerold.
Insteek van het college hierin is altijd geweest dat zorgvuldigheid voor "snelheid"gaat.
Bij mogelijke invoering van reclamebelasting spelen meerdere juridische aspecten een rol.
Onder andere de afspraken in het convenant tussen gemeente en de
Stichting Ondernemersfonds Apeldoorn Centrum zijn juridisch zorgvuldig getoetst.
Invoering op een andere datum in 2012 is juridisch geen probleem, bij besluitvorming
door de raad op 16 februari 2011 wordt de reclamebelasting per 1 maart 2012.
Het tarief voor 2012 bedraagt dan 10/12 van € 750,00

Daarnaast is als gevolg van de vakantieperiode en wijzigingen in de PMA-agenda
dit thema later op de politieke markt gekomen.

2.   Invoering van een reclamebelasting ten behoeve van de financiering van het
ondernemersfonds gaat, zeker bij de start, gepaard met veel ophef. Ervaringen in
steden die Apeldoorn zijn voorgegaan hebben dit duidelijk gemaakt, het college is
hier mee bekend. De praktijk wijst ook uit dat deze onrust snel afneemt als betalende
ondernemers zien wat er met de opbrengst van de reclamebelasting gebeurt.

Initiatiefnemers en gemeente hebben in het kader van het ondernemersfonds zich
laten bijstaan door een juridisch adviesbureau ( Van den Bosch en Partners,
gespecialiseerd in ondernemersfondsen ). Ook is er met andere gemeenten contact
geweest om o.a. inzicht te krijgen in juridische aspecten. Daarmee is het de
verwachting dat gemaakte keuzes 1 ten aanzien van het fonds goed zijn onderbouwd
en in eventuele juridische procedures stand houden.

Door de initiatiefgroep is veel aandacht uitgegaan naar het goed organiseren
van de bijeenkomst op 10 oktober 2011. Voor deze bijeenkomst zijn alle
binnenstadondernemers uitgenodigd ( zowel per brief als een uitnodiging die in
de winkel is afgegeven). Belangrijk aspect was dat alleen binnenstadondernemers
aan de discussie konden deelnemen. Met de persoonlijke uitnodiging konden
ondernemers een groene en rode kaart ophalen. Ondernemers zonder kaart konden
zich ter plaatse aanmelden. Op basis van een adressenlijst is nagegaan of
betreffende ondernemer in het gebied van de reclamebelasting gevestigd is.
Per aanmelding is 1 groene en 1 rode kaart verstrekt, waarmee voorkomen werd
dat bedrijven die met meerdere vertegenwoordigers kwamen meerdere stemmen
konden uitbrengen. Tot slot is door herkenning nagegaan dat alleen
binnenstadondernemers aanwezig waren.

Afhandeling van de reclamebelasting wordt gedaan door de dienst Middelen,
afdeling Financiën en Belastingen. Deze afdeling is vanaf het begin geïnformeerd
over de voortgang van het proces, en heeft uiteindelijk een inschatting gemaakt
van de benodigde kosten en capaciteit. Hierbij baseert de afdeling zich op de
totale kosten die gemaakt worden bij de heffing en inning van precariobelasting
en ervaringcijfers van andere gemeente.

Alle kosten die gemaakt worden in verband met de in- en uitvoering van de
reclamebelasting en de kosten die worden gemaakt in het kader van de behandeling
van bezwaar- en beroepschriften, eventuele procedures ter zake en mediation
komen ten laste van het fonds. Daarmee is dit initiatief budgetneutraal voor de gemeente.
De jaarlijkse kosten zijn begroot op 40.000 euro.

Ervaring in andere steden leert dat de kosten als gevolg van minder bezwaren na
het eerste jaar afnemen. Na afloop van het kalenderjaar wordt op basis van
nacalculatie bepaald wat de werkelijke kosten zijn geweest en worden deze verrekend.
Deze wijze van heffen van reclamebelasting ter financiering van een ondernemersfonds
is inmiddels door de belastingrechters algemeen aanvaard is, zo blijkt uit jurisprudentie.

3.   In de brief zet Detailhandel Nederland ( belangenvertegenwoordiger voor zowel grootwinkelbedrijf als midden- en kleinbedrijf ) haar principiële bezwaren uiteen
tegen de reclamebelasting. Detailhandel Nederland heeft principiële bezwaren tegen
welke vorm van heffing. In de onderbouwing van de bezwaren merkt het college
inhoudelijke verschillen op tussen de Detailhandel Nederland en de wijze waarop het ondernemersfonds in Apeldoorn wordt opgericht.

Het ondernemersfonds is een initiatief van, door  en voor ondernemers uit de
Apeldoornse binnenstad, met als centrale doelstelling de binnenstad aantrekkelijker
te maken voor bezoekers, Apeldoorn als belevenis ! Ondernemers vragen de
gemeenteraad om ten behoeve hiervan reclamebelasting in te voeren. Inkomsten
uit de reclamebelasting wordt door de gemeente via een subsidie ter beschikking
gesteld aan de Stichting Ondernemersfonds Apeldoorn Centrum. En niet zoals
Detailhandel Nederland stelt om de contributiekas van lokale ondernemersverenigingen
te vullen, danwel ten gunste komt van de gemeentekas.
Bestaande ondernemersverenigingen blijven functioneren, ondernemers worden
via reclamebelasting niet verplicht lid van bestaande ondernemersverenigingen.
Ondernemers blijven vrij in deze keuze, ook na invoering van de reclamebelasting.

Ondernemers kiezen uiteindelijk voor een reclamebelasting, een
Bedrijven Inverstering Zone (BIZ) is als alternatief serieus overwogen.
De BIZ kent een sterke inhoudelijke focus vanuit de wet op schoon, heel en veilig,
en sluit daarmee niet aan op de doelstelling van het ondernemersfonds.
Ondernemers willen inversteren in het ontwikkelen en verkopen van
"Apeldoorn als belevenis!" , het verbinden van ondernemers en initiatieven
en op professionele wijze samenwerken.

Het college heeft kennis genomen van de bezwaren van Detailhandel Nederland
en merkt op dat initiatief afkomstig is vanuit ondernemers in de binnenstad.
De bijeenkomst op 10 oktober 2011 toont aan dat een fors aantal ondernemrs
positief over deze ontwikkeling is.

4.   Brief wordt momenteel schriftelijk beantwoord, in eerder stadium is contact
geweest met Detailhandel Nederland over Ondernemersfonds.

5.   Initiatiefnemers hebben verschillende mogelijkheden voor de opzet en
financiering van het fonds geïnventariseerd en zijn tot weloverwogen keuzes gekomen.
Hierover is vaak overlegd met lokale ondernemers en (juridisch) adviseurs.
Alle (betrokken) ondernemers hebben invloed op besteding van gelden, het
activiteitenplan is samen met de ondernemers opgesteld. Het prces is zorgvuldig
verlopen en straks merken de ondernemers in het betrokken gebied daadwerkelijk
wat er met het geld gedaan wordt.

Het college begrijpt dat het maken van keuzes waar alle ondernemers mee
instemmen een hele opgave is en dat door het maken van die keuzes bij een
aantal ondernemers een gevoel van onrechtvaardigheid kan ontstaan. Het college
is echter ook van mening dat alle ondernemers de mogelijkheid hebben gehad een
actieve bijdrage te te leveren en dat de uiteindelijke keuzes goed zijn onderbouwd.

6.   Zie beantwoording 2.

7.   Ervaring in andere steden is dat het aantal bezwaren naar verloop van tijd
afneemt, en daarmee ook voornoemde kosten dalen. Het college ziet hier een
duidelijke opgave voor het ondernemersfonds. Zodra via het fonds aantoonbare
resultaten worden behaald en de meerwaarde voor de stad duidelijk is neemt het
aantal bezwaren af. Derhalve zal er meer budget beschikbaar zijn voor onder
andere promotionele activiteiten en het organiseren van evenementen.

De kosten van heffing en inning zijn niet onevenredig hoog, ook gezien
ervaringen in andere steden. Het betreft hier een eerste inschatting, gemaakte
kosten worden door ondernemers terugbetaald.

8.   Het college beschouwt die niet als onevenwichtig. Ook in andere steden
blijkt dat bij de opstart van een dergelijke initiatief ca. 10% - 15% van het
budget hiervoor gereserveerd moet worden. De keuze om voor een tarief voor
alle ondernemers is helder en transparant en scheelt in de uitvoeringskosten.

9.   Het college is zeer content met het feit dat een grote groep ondernemers uit
de binnenstad dit initiatief heeft genomen. De doelstelling van het ondernemersfonds,
namelijk het versterken van de Apeldoornse binnenstad, kan op veel sympathie van
het college rekeken. Het college heeft vertrouwen in dit initiatief en is niet
voornemens het voorstel in te trekken.

11-10-2011 | Verdubbeling van verzoeken om handhaving

Inleiding
Onlangs is door het college van BenW het (twee)jaar-verslag “Toezicht en handhaving”
Ruimtelijke en Bouwregelgeving over de jaren 2009 en 2010 uitgebracht. Dit bevestigt dewaarneming van Gemeentebelangen dat de klachten van de Apeldoornse bevolking
Apeldoorn over niet handhavend optreden zijn verdubbelt. De klachten gaan veelal over
illegale bouwwerken en overlastsituaties.
Het valt op dat nu de ondernemers óók zorgen hebben over gebrek aan handhaving.
Dit staat in contrast met het ingezette kabinetsbeleid, zoals minister president Mark Rutte het op Prinsjesdag nog eens duidelijk aangaf: “We willen een samenleving waarin afspraak weer afspraak is. Met een daadkrachtige overheid die optreedt en ingrijpt”


Gemeentebelangen heeft hierover een aantal vragen:


Vraag 1
Waarom is dit jaarverslag over twee, i.p.v. (zoals normaal) over één jaar?
U gebruikt twee titels: jaarverslag en notitie. Dit heeft een verschillende betekenis.


Vraag 2
Waarom doet u dit?
Het college moet jaarlijks verslag doen aan het ministerie van Vrom en aan de Raad.


Vraag 3
Heeft u toestemming van VROM en de gemeenteraad om het jaarverslag
tweejaarlijks te doen?


Vraag 4
Zo ja, waar blijkt dat uit, zo nee, wat is uw reden dit zo te doen?


Vraag 5
Waarom bevat het (twee)jaar-verslag geen datum en auteur?
Het verbaasd Gemeentebelangen dat er geen enkele verantwoording is over het (door de Raad verkregen) budget en de gemaakte uitgaven in dit verslag…..
Een financiële onderbouwing maakt ons inziens een onlosmakelijke onderdeel uit van het (twee)jaar-verslag


Vraag 6
Waarom laat u bovenstaande na?
U schrijft over “handhavingsprioriteiten” zonder datum van vaststelling en op welke
periode dat betrekking heeft……


Vraag 7
Kunt u dat onderbouwen?
Er is de verdubbeling van het aantal verzoeken om handhaving (lees klachten) Weliswaar ook een maatschappelijk verschijnsel, echter zeker niet in deze omvang.


Vraag 8
Wat is de reden van de verdubbeling?


Vraag 9
Kunt u een globale uitsplitsing maken van de soorten verzoeken om handhaving
(lees klachten)


Vraag 10
Wat is de relatie van bovenstaande verzoeken met uw handhavingsprioriteiten?
U maakt een opmerking in het (twee)jaar-verslag dat de burgers steeds vaker een beroep doet op het “gelijkheidsbeginsel”


Vraag 11
Hoe zou dat komen?

Vraag 11a
Kunt u hier begrip voor opbrengen of niet?


Vraag 12
Wat is de verklaring van het jargon “niet door de poort” ?
Bij één handhavingsprioriteit (kamerverhuur, 35 stuks) geeft u het aantal handhavingsdossiers aan. Bij andere weer niet……


Vraag 13
Waarom geen uniformiteit in de diverse verslagleggingen per prioriteit?
Door capaciteitsgebrek bij de brandweer is de uitvoering van andere projecten in het
kader van brandveiligheid doorgeschoven naar 2011


Vraag 14
Wat is er “doorgeschoven” ?
Gemeentebelangen kan controle op vergunningen ( de basis) handhavingsverzoeken enhandhaven niet los zien van elkaar.
De Raad heeft in 2009 meer budget beschikbaar gesteld voor o.a. inspecteurs
vergunningen. U vult dat (deels) niet in. Dit in combinatie met “te weinig capaciteit”


Vraag 15
Waarom niet?


Vraag 15b
Is hier sprake van fin. “vrijval” of “doorboeken” ?
De wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is in 2009 in werking getreden.


Vraag 16
Hoe vaak is deze uitgekeerd en met welk totaalbedrag?


Vraag 17
Is er al een reactie van het Ministerie van Vrom?
Burgers kunnen in bezwaar bij de “Onafhankelijke beroeps en Bezwaarschriften
Commissie” bij het niet tegemoetkomen van een verzoek om handhaving.


Vraag 18
Kunt u een overzicht verstrekken van:
• Niet ontvankelijk
• (deels) wel of niet tegemoet gekomen aan het bezwaar
• Het college volgt het advies niet op ( z.g. contrair gaan)
Afsluitend: Gemeentebelangen kan amper met dit (twee)-jaar-verslag “uit de voeten”
Een lastig te doorgronden sturings-product……..
Wij vragen u vriendelijk het volgende:
1e een jaarlijks handhavingsplan voorafgaande aan het nieuwe werkjaar
2e een jaarverslag die hier goed op aansluit
3e een overzicht van de controles, oplossingen in den minne en de aantallen
handhavingsdossiers per taak of prioriteit
4e een overzicht van de budgetten en de uitgaven
5e een toelichting op de oorzaken van de afwijkingen
Kortom: volgens het “SMART” principe: Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch,
Tijdgebonden.
Een goed voorbeeld van overzichtelijkheid en door de raad goed op te sturen is het
“Jaarverslag Onafhankelijke Beroeps en Bezwaarschriften Commissie”

Vraag 19
Kunt u aan deze aanbeveling van Gemeentebelangen tegemoet komen?
In afwachting van uw beantwoording, Ben Hendrikse, fractievoorzitter Gemeentebelangen.

 

Beantwoording vragen:
1. Medio 2010 is er om strategische redenen en bij uitzondering voor gekozen om het jaarverslag
2009 op dat moment niet uit te brengen vanwege de bestuurswisseling en de voorgenomen
bezuinigingen op toezicht en handhaving.


2. Het jaarverslag (afleggen verantwoording) is neergelegd in de vorm van een notitie.


3. Hoewel het college hiervoor geen toestemming hoeft te vragen aan het ministerie van VROM respectievelijk de Raad wil zij benadrukken dat het een uitzondering betrof.


4. Zoals in het antwoord op vraag 1 is verwoord, betrof het een uitzondering c.q. een eenmalige keuze. Het college zal in de toekomst weer jaarlijks een uitvoeringsprogramma en een jaarverslag vaststellen en aan de raad en de inspectie VROM zenden en zo aan haar wettelijke verplichting voldoen.


5. Het is het jaarverslag van het college en is vastgesteld op 30 juni 2011.


6. Budget en uitgaven worden verantwoord in de jaarrekening Publieksdienst: producten 8.22.04
handhaving en controle bouwbeschikking en 8.22.07 handhaving en vergunningen
kamerverhuur. Het jaarverslag bevat ‘output’ in de vorm van doelen en de redenen van al dan niet realiseren hiervan.


7. De handhavingsprioriteiten worden vastgelegd in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma. Het Uitvoeringsprogramma 2010 is op 10 februari 2010 door het college vastgesteld.


8. Handhavingsverzoeken en klachten zijn niet-gestuurde inputvariabelen. Kortom er zijn feitelijk (veel) meer handhavingsverzoeken en klachten door burgers en bedrijven ingediend dan voorheen. Er kan dus worden gesproken van een maatschappelijk verschijnsel of een trend om de gemeente in te schakelen bij (vermeende) overtredingen.


9. Niet duidelijk is wat bedoeld wordt met ‘uitsplitsing van soorten’ handhavingsverzoeken.


10. Zoals op pagina 11 van de notitie is opgemerkt, betreffen de handhavingsverzoeken en klachten veelal overtredingen die niet tot de prioriteiten behoren en is ook de (brand)veiligheid meestal niet in het geding. De handhavingsverzoeken zijn formele verzoeken om een (handhavings)besluit te nemen. Gelet op de beginselplicht tot handhaving moet het college deze handhavingsverzoeken in behandeling nemen.


11. Zoals gezegd behoort een overtreding in geval van handhavingsverzoeken meestal niet tot de handhavingsprioriteiten. Als de gemeente tegen zo’n niet-geprioriteerde overtreding optreedt, doen overtreders inderdaad steeds vaker een beroep op het gelijkheidsbeginsel.


11a. Het college heeft begrip voor burgers en bedrijven die gebruik maken van hun
rechtsbeschermingsmiddelen. De “vergelijkbare gevallen” moeten worden onderzocht,
waardoor het college wordt gedwongen om capaciteit (tijd/geld) te steken in
handhavingszaken die niet tot de prioriteiten behoren.


12. Gelet op de handhavingsprioriteiten en de schaarse capaciteit voor toezicht en handhaving worden overtredingen met een geringe uitstraling vooralsnog niet aangepakt. Deze gevallen komen dus ‘niet door de poort’. Uiteraard worden vermeende overtredingen, met name handhavingsverzoeken en klachten, die na onderzoek geen overtredingen blijken te zijn, tevens niet aangepakt.


13. In de tabellen op pagina 14 en 15 van de notitie worden de aantallen handhavingsdossiers genoemd.


14. Het betreft de projecten die door de brandweer (nog) niet in 2010 zijn gestart, maar wel voor 2011 zijn gepland.


15. Gelet op de economische situatie op dat moment en de te verwachten terugloop van het aantal (bouw)vergunningen en dientengevolge de legesinkomsten is er voor gekozen om deze formatieruimte niet structureel in te vullen.


15b. Geen van beiden. Door teruglopende legesinkomsten is er geen dekking meer voor deze formatie.


16. Sinds 1 oktober 2009 is in geen enkel handhavingsdossier een dwangsom verbeurd vanwege het niet tijdig beslissen op een handhavingsverzoek.


17. Het jaarverslag wordt ter kennisgeving aan de inspecteur VROM gezonden. De inspectie heeft, evenals de voorgaande jaren, geen reactie gegeven.


18. Deze gegevens zijn terug te vinden in het “Jaarverslag 2010 Onafhankelijke
Bezwarencommissie“, dat op 6 oktober jl. in de PMA aan de orde is geweest.


19. 1e: gelet op de wettelijke verplichting zal het college jaarlijks een uitvoeringsprogramma opstellen.
2e: gelet op de wettelijke verplichting zal het college jaarlijks een jaarverslag opstellen. Het jaarverslag is in de afgelopen jaren in hetzelfde stramien opgesteld als het
uitvoeringprogramma om de doelen en de resultaten goed met elkaar te kunnen vergelijken.
3e: zoals in punt 13 al opgemerkt, staat deze informatie op pagina’s 14 en 15 van de notitie.
Ook in de jaren voor 2009 is deze informatie in dergelijke tabellen in de jaarverslagen
opgenomen.
4e: deze informatie staat in het dienstplan en in de jaarrekening van de Publieksdienst.
5e: de oorzaken van afwijkingen zijn tevens in de jaarverslagen opgenomen.
Overigens is de door u gewenste samenhang tussen ‘budgetten en uitgaven’ en ‘de doelen en resultaten’ tot en met 2007 in de jaarverslagen opgenomen. Met het oog op de leesbaarheid van de notitie is er vanaf 2008 juist voor gekozen om het onderdeel ‘budgetten en uitgaven’ niet langer hierin op te nemen. Wij zullen overwegen om dit onderdeel opnieuw op te nemen in het jaarverslag.

18-01-2011 | Uitplaatsing hinderlijke bedrijven in woonbuurten

Schriftelijke vragen van de fractie Gemeentebelangen aan B. en W.
volgens artikel 34 van het Reglement van Orde van de Raad 2006.

Uitplaatsing hinderlijke bedrijven in woonbuurten

Datum: 18 januari 2011

Inleiding

Apeldoorn wordt steeds meer geconfronteerd met bedrijven in woonbuurten die daar qua aard en omvang niet passen. We hebben het hierbij over bedrijven, waaraan door de Gemeente alle benodigde vergunningen verleend zijn.

Aan de hand van een praktijkvoorbeeld wil Gemeentebelangen duidelijkheid krijgen over
toekomstig beleid ten aanzien van industriële bedrijvigheid in woonwijken. Als actueel
praktijkvoorbeeld nemen we een aannemersbedrijf in de Indische Buurt (Burglaan/Celebeslaan).

Sinds 2003 komen er ernstige klachten van geluidsoverlast, stofoverlast en rookoverlast van
omwonenden van dit aannemersbedrijf.

Algemeen wordt ervaren, en door buitenstaanders ook bevestigd, dat een bedrijf met deze
impact op de omgeving, niet in een woonwijk thuishoort.

Gemeentebelangen heeft hierover een vieraantal vragen:

Vraag 1:

Herkent het college de overlastbeleving van omwonenden van dit bedrijf?

Antwoord vraag 1: 
Het college (her)kent de beleving van overlast.

Gelet op de beleefde overlast is wel een onderzoek gestart naar de activiteiten van het
aannemersbedrijf. Hierover is open gecommuniceerd met zowel een aantal raadsleden als
een vertegenwoordiger van de wijkraad De Naald.

Vraag 2:

Wat heeft het college gedaan om de overlast van dit bedrijf te beperken?

Antwoord vraag 2: 

Wij hebben, mede n.a.v. diverse handhavingsverzoeken door omwonenden, een
onderzoek en een handhavingsprocedure gestart.

Opgemerkt wordt echter dat, hoe vervelend de activiteiten door het aannemersbedrijf
ook kunnen zijn voor de omwonenden, de beleving van overlast geen toetsingsgrond is
voor handhavend optreden.

Uit het ingestelde legaliseringsonderzoek is ons gebleken dat het aannemersbedrijf gevestigd
is in overeenstemming met het bestemmingsplan en, onder voorwaarden / nadere eisen /
maatwerkvoorschriften, in overeenstemming met de milieuregelgeving. Kortheidshalve
verwijzen wij naar onze besluiten van 13 november 2009* en 13 oktober 2010, waarin wij
handhavingsverzoeken van omwonenden hebben afgewezen. Daarnaast zijn
handhavingsverzoeken afgewezen t.a.v. een rookgasafvoer (besluit 26 maart 2010)
en opslag van steigermateriaal en bouwhekken (besluit 19 januari 2011). Deze besluiten
zijn ter kennisgeving naar uw raadspresidium gezonden.

Op de betreffende percelen is sinds medio 2009 regelmatig gecontroleerd met het oog op
naleving van genoemde regelgeving. Op deze wijze heeft het college de overlast beperkt
binnen de geldende juridische kaders.

*Op 23 maart 2011 heeft de Raad van State uitspraak gedaan inzake het beroep n.a.v. de
ongegrondverklaring van het bezwaarschrift van 20 juli 2010 dat was ingediend n.a.v. het
besluit van 13 november 2009 (weigering handhavend op te treden).

De uitspraak luidt: gegrondverklaring van het beroep. De uitspraak wordt op dit moment
bestudeerd en met inachtname van de uitspraak zal er een nieuw besluit genomen
moeten worden.

Tot slot: op dit moment ligt ter inzage een besluit maatwerkvoorschriften.
Belanghebbenden hebben nog een paar weken de tijd om tegen dit besluit in beroep te gaan.
Deze maatwerkvoorschriften hebben tot doel om te waarborgen dat de geluidvoorschriften
worden nageleefd.

 

Vraag 3:

Hoe denkt het college over verplaatsing naar industrieterreinen van bedrijven die naar
aard en omvang niet meer het stedelijk gebied thuishoren, maar eerder wel door de
gemeente vergund zijn?

Onder andere om gemeenten te helpen bij de bekostiging van uitplaatsing van o
ngewenste bedrijvigheid in stedelijk gebied hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland
de “Beleidsregel subsidieverstrekking sociaal-economisch beleid 2008” vastgesteld.
Op basis hiervan wordt door de provincie subsidie verstrekt als een bijdrage in de
gemeentelijke kosten voor de bedrijfsverplaatsing.

Antwoord vraag 3: 

Het college is van mening dat elk bedrijf de vergunningen moet naleven dus ook bij
bedrijven in het stedelijk gebied.  Bij klachten wordt door de afdeling Handhaving
onderzocht of deze klacht terecht is, zo ja dan  wordt een gesprek met het bedrijf
aangegaan en indien noodzakelijk volgt er een handhavingstraject. Bedrijven die
voldoen aan vergunningen kunnen in stedelijk gebied blijven functioneren.  Indien
het bedrijf verzoekt om verplaatsing en herontwikkeling van de lokatie wordt een
gesprek aangegaan om de mogelijkheden te onderzoeken. In de afgelopen jaren heeft
dit verschillende malen tot succes geleid.

Vraag 4:

Kan en wil het college dit subsidiemiddel inzetten om tot verplaatsing van hinderlijke
bedrijven uit het stedelijk gebied te komen?

Antwoord vraag 4:

Op dit moment bestaat er binnen de Gemeente Apeldoorn geen subsidie regeling
voor uitplaatsing van bedrijven in het stedelijk gebied. Het college ziet geen
aanleiding een dergelijke algemene subsidieregeling aan de raad voor te stellen.
Bij noodzakelijke verplaatsingen van bedrijven binnen ruimtelijke ontwikkelingstrajecten
wordt steeds onderzocht of gebruik gemaakt kan worden van de subsidie-regeling van
de provincie Gelderland.

04-01-2011 | Spookfietsers

Schriftelijke vragen van de fractie Gemeentebelangen Apeldoorn volgens art. 34
van het reglement van orde van de Raad 2006

     -  Toenemende  hinder  van  “ Spookfietsers “  in  Apeldoorn  -

Wat vooraf ging: De term “Spookfietsers “ is ontstaan door tegen de rijrichting inrijden. Helaas zien we dit toenemen. Door de keuze van bestrating en uitstraling zijn er onduidelijke situaties. Belijningen zijn afwezig, onduidelijk of zwak.

Tevens zijn er situaties waar fietsers en wandelaars elkaar hinderen.

Visueel: Apeldoorn heeft erg veel verschillende fietsbestratingen die elkaar
snel afwisselen: gele en grijze klinkers, leem, rood en zwart asfalt, rode en
grijze trottoirtegels

 Vraag 1:  Is het niet beter enige “eenheid” in de fietsverharding aan te brengen?

Praktijkvoorbeeld: Hofstraat: u maakt gebruik van gladde metalen bollen
en kleine fietssymbolen.

Het streven naar eenheid in verhardingen wordt met Gemeentebelangen gedeeld
en is altijd al een standaard uitgangspunt voor nieuwe projecten. In de stad worden
daarom vrijwel alle (nieuwe of vernieuwde) fietspaden uitgevoerd in dezelfde
reguliere asfalt en tegelmaterialen (denk aan recente projecten zoals Asselsestraat,
Stadhoudersmolen, Arnhemseweg).

Uitzonderingen zijn er op de regel, omdat:

  1. er andere (hogere) kwaliteitseisen worden gevraagd, bijvoorbeeld in de binnenstad;
  2. er specifieke aanleidingen kunnen zijn om af te wijken;
  3. er praktische en financiële overwegingen zijn.

Ad 1. In de binnenstad worden hogere kwaliteitseisen gesteld aan de openbare ruimte.
Hierdoor worden andere materialen gebruikt en ontstaan verschillen in uitvoeringsvormen.
Daarnaast is de binnenstad een complex gebied waar vanuit verschillende beleidsvelden
eisen worden gesteld aan de (beperkte) openbare ruimte. Uiteindelijk wordt
per project een integrale afweging gemaakt waarin de samenhang in vormgeving
en een logische opzet een randvoorwaarde blijft.

Ad 2. Uitzondering met een specifieke aanleiding is bijvoorbeeld het leempad
in het Oranjepark bij de Kerklaan. Hier is het niet mogelijk om binnen de beschikbare
ruimte aan alle wensen tegemoet te komen. Voor herinrichting van de Kerklaan was
fietsen aan de parkzijde niet mogelijk. In het ontwerp is daarom een gecombineerd
fiets/voetpad opgenomen dat als leempad is uitgevoerd. Een praktische invulling binnen
de beschikbare ruimte. Een integrale afweging leidt tot de gemaakte keuze
(zie ook antwoord op vraag 3).

Ad 3. De praktische en financiële overwegingen moeten ook niet uit het oog worden verloren.

De materialen veranderen, worden duurzamer of zijn kosteneffectiever in te zetten.
Na de investering is het doorgaans logisch dat de uitvoering tientallen jaren meegaat
voor sprake is van reguliere vervanging. In de praktijk betekent dit, dat voor de stad als
geheel soms verschillen in uiterlijk op voor het oog gelijkwaardige situaties kunnen ontstaan.
Het actief vervangen hiervan is een kostbare zaak. Per locatie is echter altijd sprake van
een samenhang in vormgeving en een logische opzet, en waar mogelijk wordt bij uitvoering
van werken het updaten van bestaande materialisatie overwogen.

Achtergrondinformatie:

In 2010 is mede door vragen over de gekozen oplossingen rond materialen van
fietspaden door de dienst OW een interne notitie opgesteld die de ‘lijn’ uitzet voor
de manier waarop  fietsdoorstroomassen zijn ingepast. Hiermee wordt de eenheid
in de uitvoeringsvormen nagestreefd. In deze notitie zijn alle aspecten die een rol
spelen vanuit comfort, beeld en beheer integraal afgewogen. De notitie wordt
ambtelijk gebruikt als leidraad voor het ontwerp en geeft ook aan in welke gebieden
er ruimte is om af te wijken. Indien gewenst kunnen we u de notitie doen

Of witte belijningen duidelijker zijn is afhankelijk van de ondergrond. Op zwart of rood is het contrast sterk. Op gele verharding (binnenstad) met reguliere vervuiling zijn witte belijningen al snel nauwelijks meer zichtbaar.

Daarnaast bestaan fietspaden in de binnenstad meestal uit elementverhardingen (tegels/dubbelklinkers) omdat er kabels en leidingen onder de fietspaden liggen waardoor asfaltverharding uitgesloten is. Thermoplast belijningen op elementverhardingen hebben als nadeel dat ze snel afslijten. Juist vanwege de kabels en leidingen gaan de paden relatief vaak open waarbij de bestrating wordt verwijderd en teruggebracht. Op dat moment is het vanuit beheerskosten effectiever met elementen zoals metalen bollen te werken.

Vanwege klachten uit het verleden over de gladheid van de metalen bollen worden deze echter al niet meer toegepast en bij aanpassingen vervangen door een klinker in afwijkende kleurstelling om het fietspad of de middenstreep te markeren (bijvoorbeeld Kanaal Noord waar recent de metalen bollen zijn verwijderd in dat deel dat is gereconstrueerd). Wel is het hier van belang op te merken dat het bestuur met name in de binnenstad een totaaluiterlijk voorstaat met een aantrekkelijke, voetgangersvriendelijke vormgeving. Binnen dat geheel is gezocht naar een opzet waarbij enerzijds de fietsfunctie optimaal wordt benadrukt, maar waarbij deze niet onevenredig als dissonant wordt ervaren in het totaalbeeld.

Het streven naar eenheid in verhardingen wordt met Gemeentebelangen gedeeld en is
altijd al een standaard uitgangspunt voor nieuwe projecten. In de stad worden daarom
vrijwel alle (nieuwe of vernieuwde) fietspaden uitgevoerd in dezelfde reguliere asfalt en
tegelmaterialen (denk aan recente projecten zoals Asselsestraat, Stadhoudersmolen, Arnhemseweg).

Uitzonderingen zijn er op de regel, omdat:

  1. er andere (hogere) kwaliteitseisen worden gevraagd, bijvoorbeeld in de binnenstad;
  2. er specifieke aanleidingen kunnen zijn om af te wijken;
  3. er praktische en financiële overwegingen zijn.

Ad 1. In de binnenstad worden hogere kwaliteitseisen gesteld aan de openbare ruimte.
Hierdoor worden andere materialen gebruikt en ontstaan verschillen in uitvoeringsvormen.
Daarnaast is de binnenstad een complex gebied waar vanuit verschillende beleidsvelden eisen
worden gesteld aan de (beperkte) openbare ruimte. Uiteindelijk wordt per project een integrale
afweging gemaakt waarin de samenhang in vormgeving en een logische opzet een
randvoorwaarde blijft.

Ad 2. Uitzondering met een specifieke aanleiding is bijvoorbeeld het leempad in het
Oranjepark bij de Kerklaan. Hier is het niet mogelijk om binnen de beschikbare ruimte
aan alle wensen tegemoet te komen. Voor herinrichting van de Kerklaan was fietsen aan
de parkzijde niet mogelijk. In het ontwerp is daarom een gecombineerd fiets/voetpad
opgenomen dat als leempad is uitgevoerd. Een praktische invulling binnen de beschikbare ruimte.
Een integrale afweging leidt tot de gemaakte keuze (zie ook antwoord op vraag 3).

Ad 3. De praktische en financiële overwegingen moeten ook niet uit het oog worden verloren.

De materialen veranderen, worden duurzamer of zijn kosteneffectiever in te zetten.
Na de investering is het doorgaans logisch dat de uitvoering tientallen jaren meegaat voor
sprake is van reguliere vervanging. In de praktijk betekent dit, dat voor de stad als geheel
soms verschillen in uiterlijk op voor het oog gelijkwaardige situaties kunnen ontstaan.
Het actief vervangen hiervan is een kostbare zaak. Per locatie is echter altijd sprake van een
samenhang in vormgeving en een logische opzet, en waar mogelijk wordt bij uitvoering van
werken het updaten van bestaande materialisatie overwogen.

Achtergrondinformatie:

In 2010 is mede door vragen over de gekozen oplossingen rond materialen van fietspaden
door de dienst OW een interne notitie opgesteld die de ‘lijn’ uitzet voor de manier waarop  
fietsdoorstroomassen zijn ingepast. Hiermee wordt de eenheid in de uitvoeringsvormen
nagestreefd. In deze notitie zijn alle aspecten die een rol spelen vanuit comfort, beeld en
beheer integraal afgewogen. De notitie wordt ambtelijk gebruikt als leidraad voor het ontwerp
en geeft ook aan in welke gebieden er ruimte is om af te wijken. Indien gewenst kunnen we u
de notitie doen toekomen.

Vraag 2 :  zijn witte midden belijningen niet duidelijker?

Praktijkvoorbeeld Molenstraat en Kerklaan ( ter hoogte Oranjepark)  
in Apeldoorn komt het regelmatig voor dat er bij twee vrijliggende fietspaden
er sprake is van verschillende verhardingen. Hierdoor maken
fietsers vaak (onbewust) fouten.

Antwoord:

Of witte belijningen duidelijker zijn is afhankelijk van de ondergrond.
Op zwart of rood is het contrast sterk. Op gele verharding (binnenstad)
met reguliere vervuiling zijn witte belijningen al snel nauwelijks meer zichtbaar.

Daarnaast bestaan fietspaden in de binnenstad meestal uit elementverhardingen
(tegels/dubbelklinkers) omdat er kabels en leidingen onder de fietspaden
liggen waardoor asfaltverharding uitgesloten is. Thermoplast belijningen op
elementverhardingen hebben als nadeel dat ze snel afslijten. Juist vanwege
de kabels en leidingen gaan de paden relatief vaak open waarbij de bestrating
wordt verwijderd en teruggebracht. Op dat moment is het vanuit beheerskosten
effectiever met elementen zoals metalen bollen te werken.

Vanwege klachten uit het verleden over de gladheid van de metalen bollen
worden deze echter al niet meer toegepast en bij aanpassingen vervangen
door een klinker in afwijkende kleurstelling om het fietspad of de middenstreep
te markeren (bijvoorbeeld Kanaal Noord waar recent de metalen bollen zijn
verwijderd in dat deel dat is gereconstrueerd). Wel is het hier van belang op
te merken dat het bestuur met name in de binnenstad een totaaluiterlijk voorstaat
met een aantrekkelijke, voetgangersvriendelijke vormgeving. Binnen dat geheel is
gezocht naar een opzet waarbij enerzijds de fietsfunctie optimaal wordt benadrukt,
maar waarbij deze niet onevenredig als dissonant wordt ervaren in het totaalbeeld.

Vraag 3:  kunt u dit visuele probleem bij nieuwe investeringen wegnemen?

Praktijkvoorbeeld Winkelcentrum Egelantier ( omgeving winkel: De Bloemensteeg)

Het fietspad in twee richtingen heeft geen midden belijning.
Het fietspad loopt óver het zebrapad, veel conflicten……

Antwoord:

Uitgangspunt is dat in vergelijkbare situaties fietspaden aan weerszijden
van de weg een gelijke verharding hebben. Uitzonderingen hierop hebben
dan ook altijd een specifieke motivatie en worden tot een minimum beperkt
juist om onduidelijkheid of verschil in fietscomfort
(met als gevolg ‘spookfietsen’ te voorkomen). Rond het Oranjepark is die aanleiding
het feit dat er op een groot aantal plekken grote bomen staan die qua stam en
met wortels onder het fietspad liggen. Het uitvoeren van het fietspad in tegels zou
hier tot gevolg hebben dat de bomen schade oplopen of dat de verharding zou
worden opgedrukt door boomwortels met veel schade en letselschade kansen tot gevolg.
De halfverharding ondervangt dit.

Bij nieuwe investeringen zal de huidige lijn dat fietspaden eenduidig
worden uitgevoerd aan weerszijden van de weg dan ook worden doorgezet,
tenzij de specifieke situatie een technische aanleiding/noodzaak geeft dit niet te doen.

Vraag 4 : wat is uw mening?  Gaat u hier wel of geen verbeteringen aanbrengen?

Praktijkvoorbeeld Stationsdwarsstraat, Stationsstraat ( nabij ING Bank) en Kerklaan    
( richting naar Gemeentehuis) Er is geen hoogteverschil tussen trottoir en fietspad.
Tevens zijn de kleuren (bijna) gelijk. Fietsen en lopen doorkruist elkaar…..

Antwoord:

In het kader van de revitalisering van het Winkelgebied Eglantier
worden verschillende aanpassingen gedaan, waarmee onder andere
bestaande klachten worden verholpen. Ten eerste wordt het winkelgebied
bij de Bloemensteeg aangeduid als voetgangersgebied, waarbinnen op
winkeltijden niet meer gefietst mag worden. Het zebrapad over de Eglantierlaan
wordt verwijderd in verband met de onduidelijke voorrangssituatie die is ontstaan.
Het overige deel van het fietspad (tussen de Eglantierlaan en Vedelaarshoeve)
blijft ongewijzigd. In het kader van de revitalisering zijn hierover geen klachten
gemeld, waardoor de aanleiding hiervoor ontbreekt. Wij zullen navraag
doen bij handhavers en wijkvertegenwoordigers om dit beeld te toetsen,
en zonodig op basis daarvan nadere voorstellen doen.

Vraag 5: ziet u mogelijkheden om dit te verbeteren?

In de Stationsstraat, met name omgeving Omnizorgcentrum loopt
het “spookfietsen” de spuigaten uit!

Antwoord:

Het niet realiseren van een hoogteverschil en het beperken van
de hoeveelheid kleurstellingen zijn bewuste keuzes die per project
afgewogen en gecommuniceerd zijn. Per project wordt een inschatting
gemaakt of dit tot (problematische) conflicten leidt en in hoeverre fietsers
en voetgangers gescheiden moeten worden. Hierbij gaan wij uit van het
dagelijks gedrag dat met name fietsers zich weinig gelegen laten liggen aan
formele fietspaden maar vaak de voor hun meest korte route nemen, of dat
nu tegen het verkeer in is of niet. Voorbeelden waar dit gebeurt zonder dat
het tot conflicten leidt zijn bijvoorbeeld Stationsplein Noord en Zuid. Hier is
gekozen voor het geven van vooral veel ruimte aan fietsers en voetgangers.
In beide gevallen is er na een korte periode van gewenning geen sprake
meer van structurele conflicten.

Op die specifieke plekken waar na langere tijd toch sprake blijft van
conflicten en irritatie van gebruikers zullen wij onderzoeken hoe de
helderheid verbeterd kan worden. Dat kan in sommige gevallen met
bebording of door het toevoegen van belijning/markeringsstenen of het
plaatsen van elementen (groen, paaltjes, hekwerk etc.). In alle gevallen zal
echter gezocht worden naar oplossingen die ook passen in de hoge
beeldkwaliteiteisen die wij in de binnenstad aan zowel de bebouwing als de
openbare ruimte stellen. Daarom is een ‘standaard’ oplossing niet te geven.

Vraag 6: Wat heeft u in het verleden gedaanaan handhaving of gerichteacties ?

Zo de politie geen of te weinig capaciteit heeft:  Apeldoorn heeft THORREN                       
( Toezicht Houders Openbare Ruimte)

Antwoord:

Het spookfietsen wordt in beginsel voorkomen door een goed
‘leesbare’ weginrichting te kiezen. Doordat de fietser weet hoe
hij of zij moet fietsen wordt zoveel mogelijk het onbewust spookfietsen
voorkomen. Het bewust spookfietsen kun je met de vormgeving niet afdwingen.
Je kunt nu eenmaal heel gemakkelijk met een fiets alle kanten oprijden en
tussendoor glippen. De politie besteedt weinig tot geen aandacht aan de
problematiek vanwege andere prioriteiten. Bovendien is het in de praktijk van
de handhaving moeilijk ‘hard te maken’ of een fietser die buiten de bedoelde paden
fietst daadwerkelijk een overtreding begaat; vaak blijkt een dergelijke
aanklacht juridisch niet houdbaar.

Het valt op dat het gedrag van fietsers steeds brutaler wordt.
Denk aan scholieren die met zijn drieën naast elkaar blijven rijden,
maar ook ouders met hun kleine kinderen naast zich die vinden dat de
tegenliggers (die feitelijk juist rijden) maar aan de kant moeten. Dit is een
kwestie van gedrag. Een mogelijkheid om de problematiek aan te pakken
zou een gedragsbeinvloedingscampagne (zoals “wij gaan naar school” en Team Alert)
kunnen zijn. Beleidsmatig is daar in de Verkeerkaart op ingegaan. Het kader is dus aanwezig.

Vraag 7: kunt u die inschakelen om bovenstaande problemen te verminderen?

Tijdens de Politieke Markt Apeldoorn (PMA) heeft Gemeentebelangen
nadrukkelijk bovenstaande probleem-punten aan de orde gebracht voor
de nieuwe inrichting Regentesselaan.

Antwoord:

De inzet van Toezichthouders Openbare Ruimte kan een bijdrage leveren.
Bij voorkeur gebeurt dit op plaatsen waar het spookfietsen veel voorkomt
en tot hinder leidt. Doel zou dan moeten zijn het gedrag van de fietsers te
beïnvloeden. De inzet van de THOR-medewerkers is vastgelegd in een jaarplan.
Indien naar uw mening inzet op deze titel noodzakelijk is, kunt u dit tijdens de
behandeling hiervan kenbaar maken. Bekend is echter dat de inzet van THOR
wordt gelimiteerd door beschikbare fondsen, in die zin dat doorgaans bij prioritering
voor dit doel aangegeven zal moeten worden op welke andere taken eenzelfde
aantal uren dient te worden ingeleverd.

Een efficiënte aanpak zou zijn om gelijktijdig aan de genoemde
gedragsbeinvloedingscampagne de THOR-medewerkers in te zetten.
Hun inzet kan dan tot een minimum beperkt blijven met een maximaal rendement.

Vraag 8: kunt u uitleggen hoe u bij deze nieuwe investering bovenstaand
punten gaat voorkomen of verbeteren?

Antwoord:

Het door Gemeentebelangen genoemde probleem van de
onduidelijkheid van twee verschillende type fietspaden aan weerszijden
van de weg zoals ter hoogte van het Oranjepark bij Kerklaan aanwezig is,
treedt bij de Regentesselaan niet op omdat hier door het versmallen van
de rijbaan ruimte is gevonden om aan weerszijden van de weg een vrijliggend
fietspad in gelijke verharding aan te brengen. In het deel van de Regentesselaan
dat al in gebruik is zien wij dan ook dat hier geen problemen of verwarring optreedt.

Daarnaast is bij de Regentesselaan al tijdens de aanleg direct een extra markering
tussen het voetpad en fietspad opgenomen in de vorm van een witte halve tegel
die het verschil tussen voetpad en fietspad los van de kleurverschillen extra
verduidelijkt. Een oplossing die na klachten over onduidelijkheid ook bij de Kerklaan
alsnog is toegevoegd.

Bij de Regentesselaan is wel bewust ook gekozen voor het op gelijk niveau
houden van fietspad en voetpad om op de plekken waar de ruimte beperkt
is te zorgen dat (minder valide) voetgangers voldoende trottoirbreedte overhouden
om door te kunnen lopen waarbij ze eventueel een stap op het fietspad kunnen zetten.
Net als in de Kerklaan is het voetpad namelijk de ‘restmaat’ in het profiel die
overblijft als alle vaste maten van rijbaan, fietspaden en parkeer/boomstrook zijn
ingepast. Er zijn specifieke plekken waarbij het voetpad als dat verhoogd zou zijn
uitgevoerd onder de door ons gewenste minimale breedtemaat van 12 meter zou
komen. Het op gelijk niveau uitvoeren van fiets- en voetpad zorgt ervoor dat op die
specifieke plekken uitwijken eenvoudig is. Wij vinden het comfort dat hierdoor
ontstaat van groter belang dan het mogelijk optreden van een incidenteel conflict
tussen fietsers en voetgangers.

Tot slot moet worden opgemerkt dat zowel de Kerklaan als Regentesselaan
in het beschermd stadsgezicht van de Parken ligt waardoor ook het visuele
aspect van een klassiek rustig wegbeeld met ingetogen materiaalgebruik en
aansluiting op de omgeving hier van groot belang is. Hierdoor is in samenspraak
met de Rijksdienst voor Monumentenzorg, de CRK en CHAC gekozen voor het
toepassen van twee verschillende kleuren tegels voor voetpad en fietspad die
echter wel qua kleurstelling dicht bij elkaar liggen. Een bewuste keuze voor eenheid
in plaats van contrast die subtiel maar ons inziens voldoende duidelijk is.